dinsdag 29 oktober 2019

Wie vandaag de dag Israel bezoekt, kan zich haast niet voorstellen dat het land rond 1900 volkomen kaal en uitgeput was. Dankzij de vooruitziende blik van het JNF in 1901 onderging Israel een metamorfose. Een terugblik naar hoe het allemaal begon.

Tot in de achttiende eeuw werd wat nu Israel is door de toen heersende Turken verwaarloosd. Onder andere door ongecontroleerde houtkap verdwenen hele bossen. Het land viel ten prooi aan versnelde erosie, waardoor woestijnachtige gebieden ontstonden, zonder enige vegetatie. Mark Twain bezocht in 1867 Israel (het toenmalige Palestina) en schreef erover in zijn boek Innocents Abroad. Hij beschreef een verlaten land, waar de geiten zand aten omdat er verder niets was. De eerste pioniers, die eind negentiende eeuw naar Palestina kwamen, troffen dan ook een land aan met veel kale plekken. Geld om het land te bewerken, hadden ze niet. Daarom werd in 1901 het Keren Kajemet LeIsrael/Joods Nationaal Fonds (KKL/JNF) opgericht, met als doel de Joodse gemeenschappen over de hele wereld te betrekken bij het verkrijgen en vruchtbaar maken van het Joodse land. Het JNF, de Nederlandse aftakking, werd een jaar later opgericht. De allereerste fondsenwervende activiteiten van het JNF bestonden uit het inzamelen van geld door giften en door de verkoop van plakzegels en Gouden Boek-inschrijvingen. Een zegel kostte 2 cent, een Gouden Boek-inschrijving 120 gulden, toentertijd een fors bedrag.

Vanaf 1905 plaatste het JNF het bekende blauwe JNF-collectebusje bij zijn donateurs. In deze metalen JNF-busjes, die in de loop van de tijd in vele vormen verschenen, en in bijna iedere Joodse huiskamer stonden, werd de mensen gevraagd hun bijdrage te deponeren op belangrijke dagen, hoe groot of hoe klein ook. Naast deze busjes waren er ook speciale geldinzamelacties rond Joodse feestdagen. Deze groeiden uit tot jaarlijkse tradities, zoals de amandelactie en honingactie.

In 1907 verstrekte het JNF de eerste boomcertificaten en voor de aanplant van olijfbomen. Het eerste woud dat werd aangelegd met bomen van JNF-donateurs was het Theodor Herzl Woud (1908).

In 1912 werd het ‘olijfbomencertificaat’ gewijzigd in een algemeen boomcertificaat, want de bomen die werden geplant, moesten geschikt zijn voor de toenmalige omstandigheden; rotsachtige gronden en verwaarloosde grond. Cipressen en dennenbomen bleken het sterkst te zijn. In die jaren kwamen de zaden voor de bomen uit het buitenland. In latere jaren werden ze gemixt met zaden van de bomen die al geplant waren. Die eerste bossen zorgden ervoor dat de bodem, en daarmee de natuur, zich langzaam herstelde. De naalden van de bomen vielen op de grond waardoor de bodem voedsel kreeg. Vogels en insecten kwamen op de bomen af en verspreidden de zaden. Vandaag is Israel het enige land ter wereld dat meer bomen heeft dan 100 jaar geleden. Dit alles dankzij die vooruitziende blik van toen.

Privacyverklaring