woensdag 29 april 2020

Jetty van der Hoek nam het JNF op in haar testament, maar haar executeur-testamentair raadde haar aan om ook een gedeelte van het geld bij leven te geven. Jetty is blij dat ze dat advies heeft opgevolgd: ‘Het geeft grote voldoening.’

‘Ik wilde mijn onderduikfamilie eren, omdat ze mijn leven hebben gered. Ik koos voor een project van het Joods Nationaal Fonds (JNF).’
Jetty van der Hoek

‘In 1943 ben ik, tijdens de onderduik, geboren in een Joods gezin in Utrecht. De bevalling vond plaats op de grond, zonder dokter, dat vond mijn moeder te gevaarlijk. Na mijn geboorte hebben mijn ouders me, in een boodschappentas, voor een check-up toch meegenomen naar het ziekenhuis. Ter observatie moesten we een paar dagen blijven. Maar het werden drie maanden, omdat mijn moeder erg ziek werd. In die tijd zaten mijn vader en mijn broer, hij is drie jaar ouder dan ik, op verschillende adressen ondergedoken. Na ons ontslag uit het ziekenhuis, werden mijn moeder en ik ook op verschillende adressen ondergebracht.

Ik kwam, slechts een paar maanden oud, via het Utrechts verzet, in Friesland terecht. Bij drie ongetrouwde zussen en hun broer, een Christelijk gezin.

Na de oorlog hebben mijn ouders hun kinderen via het Rode Kruis teruggevonden. Ik was twee jaar toen ze op de stoep stonden bij mijn Friese pleegfamilie. Te jong om te begrijpen wie ze waren. Maar ik moest mee. Met onbekende mensen naar een vreemd huis, waar een jongetje woonde dat ik nog nooit had gezien. Om mij te laten wennen aan de nieuwe situatie is een van mijn pleegtantes zes maanden bij mijn ouders ingetrokken. Daarna kwam voor nog eens drie maanden een van haar zussen. Maar het bleef een ingewikkelde situatie. Het is nog altijd moeilijk voor me om erover te praten. Ik kon niet goed wennen en mijn pleegtantes en -oom misten me enorm. Ze hebben toen hun huis in Friesland verkocht en zijn in Zeist gaan wonen, acht kilometer van mijn ouderlijk huis. Zo goed en zo kwaad als het ging, verdeelde ik mijn tijd tussen de beide gezinnen. Dat is altijd zo gebleven, totdat mijn ouders en mijn pleegtantes en -oom overleden.

Mijn broer en ik, hij is in 2008 overleden, hebben beiden geen gezin. Onze onderlinge band was goed, maar het was moeilijk voor ons om ons te binden aan anderen.

We hebben een gemeenschappelijk testament waarin we ons vermogen nalaten aan verschillende organisaties. Ook aan het Joods Nationaal Fonds (JNF) waar we mee zijn opgegroeid. Natuurlijk stond het blauwe collectebusje bij mijn ouders. En we deden ook mee aan het planten van bomen in Israel. Bij leuke en minder leuke gelegenheden gaven mijn ouders, en later mijn broer en ik, die cadeau aan vrienden en familie.

Het idee was om een bos op richten ter nagedachtenis aan mijn pleegfamilie die mijn leven heeft gered, mijn broer en mezelf. Iets blijvends dat onze naam draagt.

Mijn executeur-testamentair raadde me aan om een gedeelte van het geld bij leven te geven. Ik nam contact op met het JNF en besprak met hen mijn wensen. Samen hebben we een mooi project uitgezocht. Het is geen bos geworden, maar een bijdrage aan de ontwikkeling van de museumtuin van het Natuurhistorisch museum in Jeruzalem. Het is een prachtig oud gebouw, maar de tuin was erg verwaarloosd. De schoolkinderen in Jeruzalem komen er voor educatieve en recreatieve doeleinden. Ik ben blij dat ik deze donatie bij leven heb gegeven, eigenlijk is dat veel leuker. Het geeft grote voldoening. Nu ben ik bij het project betrokken en word ik regelmatig door de mensen van het JNF op de hoogte gehouden van de stand van zaken.

Als de tuin klaar is, komt er een plaquette te staan met onze namen erop. Ik ben vast van plan bij de onthulling aanwezig te zijn, dat zal een emotioneel moment zijn.’

Privacyverklaring