vrijdag 17 april 2015

Het onderzoeksproject

Het JNF steunt onderzoek naar het telen van snijbloemen in de woestijn. In het Besor-onderzoekscentrum in het westen van de Negev werken researchers aan twee ambitieuze doelen: het optimaliseren van de productie van bestaande bloemsoorten en het vinden van nieuwe soorten die geschikt kunnen worden gemaakt voor teelt in de woestijn.

Pioenrozen

Een voorbeeld van een gewas dat inmiddels met succes in de Negev wordt geteeld is de pioenroos. Deze mooie bloem is populair in Europa en blijkt het in de woestijn goed te doen. Door hun vroege bloei en hoge opbrengst zijn ze al beschikbaar voor de Nederlandse markt als in onze kassen nog geen pioenrozen groeien. Maar de concurrentie met andere landen is moordend en dus wordt kwaliteit van steeds groter belang om in deze markt te kunnen overleven. Verder onderzoek moet uitwijzen welke typen pioenrozen het meest resistent zijn tegen ziektes en hoe ze zo vers mogelijk naar hun eindbestemming getransporteerd kunnen worden – zodat de klant er zo lang mogelijk van kan genieten.

Nieuwe soorten

Ondanks het succes van de pioenrozen hebben de bloementelers in de Negev de afgelopen jaren veel last gehad van de stagnerende markt. Om het hoofd boven ‘water’ te houden is het voor de telers dan ook van groot belang om nieuwe soorten bloemen te kunnen aanbieden. Maar lang niet alle bloemen zijn bestand tegen de hitte en droogte van het woestijnklimaat. Daarom is er veel onderzoek nodig om te ontdekken welke nieuwe soorten geschikt kunnen worden gemaakt voor teelt en export vanuit de Negev. Het researchcentrum in Besor richt zich op het vaststellen van de optimale zaai-, bloei-, en snijmomenten van bloemen uit verre landen met een vergelijkbaar klimaat, zoals bijvoorbeeld de witte Australische Sydney Flannelbloem. Deze bloem is nieuw op de Europese markt en heeft veel potentieel. Door het onderzoek naar deze nieuwe soorten kunnen de landbouwers de concurrentie uit andere landen voorblijven.

Privacyverklaring